Uitleg Score

Om een voldoende te behalen voor het Basisexamen Inburgering op de Nederlandse ambassade te Bangkok moet u een score behalen die aantoont dat u minimaal een beheersingsniveau heeft op A1-min niveau. Het Basisexamen Inburgering bestaat uit twee onderdelen, kennis van de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving.

De antwoorden worden beoordeeld op uitspraak, vloeiendheid, zinsbouw en woordenschat. Uw score op het onderdeel kennis van de Nederlandse taal wordt uitgedrukt in een getal tussen tien (geen mondelinge beheersing) en tachtig (volledige mondelinge beheersing). Om voor het examen te slagen moet u minstens een score van zestien behalen.

Het andere onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving bestaat uit dertig vragen, die horen bij de foto’s die geselecteerd zijn uit de film “Naar Nederland”. De uitslag van dit onderdeel wordt uitgedrukt in een percentage van nul tot honderd. Om voor het examen te slagen, moet zeventig procent goed beantwoord zijn.

Windmolens
Zak-/slaaggrens taaltoets inburgeringsexamen is vanaf 15 maart 2008 omhoog gegaan

De zak-/slaaggrens is op 15 maart jl. verhoogd, de Toets Gesproken Nederlands van het basisexamen inburgering is verhoogd.

In het onderzoek door het Research Center voor Examinering en Certificering (RCEC) is gekeken of het eerdere onderzoek door TNO naar de zak-/slaaggrens zorgvuldig is uitgevoerd en of de conclusie van TNO dat de zak-/slaaggrens van de Toets Gesproken Nederlands te laag is ingesteld, is gerechtvaardigd.

Overigens verandert de toets zelf niet. De score die een kandidaat moet halen om voor de Toets Gesproken Nederlands te slagen blijft hetzelfde, namelijk 16 punten. Ook het niveau van de toets blijft hetzelfde: A1min voor het buitenland en A2 voor Nederland. Wél moeten kandidaten meer antwoorden goed hebben om aan deze 16 punten te komen en dus om te slagen.

Toetsscore volgens rapportageschaal TGN CEF-niveau
80 C1
68-79 C2
57-67 B2
47-56 B1
37-46 A2
26-36 A1
16-25 A1-min
10-15 Lager den A1-min
C2

Brengt betekenisnuances nauwkeurig en op natuurlijke wijze over.

Kan spontaan en met een natuurlijke vloeiendheid ook langere interventies verrichten. Vertoont daarbij een consistente grammaticale en fonologische beheersing van gevarieerd en complex taalgebruik met inbegrip van een juist gebruik van verbindingswoorden en voegwoorden. Kan moedertaalsprekers moeiteloos verstaan.

C1

Drukt zich vloeiend en spontaan uit in duidelijke, goedgestructureerde spraak.

Kan zich spontaan en vloeiend uitdrukken, bijna moeiteloos in een gelijkmatig lopend taalgebruik. Heeft een duidelijke en natuurlijke uitspraak. Kan intonatie variëren en gebruikt klemtoon om delen te benadrukken. Maakt zelden fouten. Vertoont beheersing van verbindingswoorden en voegwoorden. Verstaat praktisch iedere moedertaalspreker, maar moet wellicht soms om bevestiging vragen.

B2

Brengt informatie en standpunten helder en zonder merkbare moeite over.

Kan eenheden taal met een redelijk evenwichtig tempo produceren met weinig merkbare pauzes. Heldere uitspraak en intonatie. Fouten leiden niet tot misverstanden. Helder samenhangend betoog, echter soms enigszins “springerig”. Kan in detail standaard moedertaalsprekers ook in een lawaaierige omgeving verstaan.

B1

Communiceert begrijpelijk de belangrijkste punten m.b.t. vertrouwde zaken.

Kan op begrijpelijke wijze doorspreken, hoewel evident pauzerend voor het plannen en herstellen van grammaticale elementen Uitspraak is begrijpelijk hoewel bij tijden gekleurd door een buitenlands accent en ook uitspraakfouten optreden. Redelijk correct gebruik van een algemeen repertoire in voorspelbare situaties. Kan eenvoudige losse elementen verbinden tot een samenhangend geheel. Kan duidelijk sprekende moedertaalsprekers volgen, maar moet soms om herhaling vragen.

A2

Communiceert basisinformatie over werk, achtergrond, familie, vrije tijd, etc. Kan zichzelf in korte zinnen verstaanbaar maken, hoewel pauzes, valse starts, en herformuleringen aanwezig zijn Uitspraak is over het algemeen helder genoeg om te worden verstaan ondanks een duidelijk buitenlands accent. Gebruikt een beperkt aantal eenvoudige structuren correct, maar maakt systematisch elementaire fouten. Kan woordgroepen verbinden met eenvoudige voegwoordeen zoals “en”, “maar”, en “omdat”. Kan zich tot hem/haar richtende, duidelijk sprekende moedertaalsprekers verstaan, wanneer zonodig om herhaling gevraagd kan worden.

A1

Doet eenvoudige uitspraken over persoonlijke gegevens en bekende onderwerpen.

Kan omgaan met zeer korte, geïsoleerde, voornamelijk standaard uitingen. Veel pauzes om te zoeken naar uitdrukkingen en om minder bekende woorden uit te spreken. Spreekt met sterk buitenlands accent. Begrijpt de strekking van direct tot hem/haar gerichte en duidelijk gesproken vragen.

A1-min

Kan met behulp van losse woorden zaken van direct persoonlijk belang communiceren.

Gebruikt losse woorden, enkele standaarduitdrukkingen en elementaire beleefdheids-nifrases maar is vanwege uitspraak moeilijk te verstaan. Begrijpt eenvoudige direct tot m-1hem/haar gerichte en met zorg gesproken vragen naar of mededelingen over Apersonalia, en een beperkt aantal concrete alledaagse begrippen. Kan vragen over dergelijke zaken soms ook met een of meer losse woorden beantwoorden.

© Richard van der Kieft 2008 // Privacy Policy // Terms and Conditions