Nederlands leren in Bangkok

Learn to speak Dutch in Bangkok

De Cursus //  Uitleg Score //  Ontstaan Inburgeringsexamen //  Informatie MVV //  Recensies //  Links //  Contact  //  Nederlands  // English  // ภาษาไทย
info@nederlandslerenbangkok.com
+66 (0) 840 197 787

Sinds 1 april 2011 niveau inburgeringsexamen omhoog gegaan.

Het niveau van de Toets Gesproken Nederlands (TGN) van het basisexamen inburgering in het buitenland is omhoog gegaan. Het niveau is per 1 april 2011 omhoog gegaan van A1 min naar A1. Per 1 april is ook de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen (GBL) aan dit examen toegevoegd.

De toets Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) blijft ongewijzigd. U hoeft niet te schrijven op dit examen.

Op het inburgeringsexamen Buitenland wordt onderzocht:

  • uw kennis van de Nederlandse samenleving (KNS);
  • uw luister- en spreekvaardigheid (TGN);
  • uw leesvaardigheid in het Nederlands (GBL).       

Als u in aanmerking wilt komen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) dan moet u een voldoende halen voor alle drie de onderdelen.

nederlands leren thailand

De verschillende onderdelen op het inburgeringsexamen.

Examenonderdeel Kennis van de Nederlandse samenleving (KNS). Dit examenonderdeel bevat 30 vragen. Voor het examen is rekening gehouden met een minimale mondelinge beheersing van het Nederlands. Het examenonderdeel bevat 30 vragen uit een totale verzameling van 100 vragen over de Nederlandse samenleving.
U krijgt op het examen één of meerdere vragen gesteld over zeven onderwerpen:

  • 1.Nederland; In dit onderdeel komen onder meer aan bod: de ligging van Nederland in de wereld, de ligging van Nederland in Europa, de woningen in Nederland, de ligging van Nederland t.o.v. de zeespiegel, de oppervlakte van Nederland, de wegen in Nederland, de bevolkingsdichtheid van Nederland, de vervoermiddelen in Nederland.
  • 2.Geschiedenis; In dit onderdeel komen onder meer aan bod: Willem van Oranje, de tachtigjarige oorlog, de Gouden Eeuw en de VOC, de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, enkele naoorlogse ontwikkelingen.
  • 3.Staatsinrichting, politiek en grondwet;In dit onderdeel komen onder meer aan bod: democratie, de grondwet, de belangrijkste grondrechten, het politieke stelsel, rechten en verplichtingen, omgangsvormen.
  • 4.De Nederlandse taal en het belang van het leren ervan; In dit onderdeel komen onder meer aan bod: lesmethoden, de Nederlandse taal, volwassenenon-derwijs.
  • 5.Opvoeding en onderwijs;In dit onderdeel komen onder meer aan bod; Nederlandse opvoedmethoden, verantwoordelijkheid voor kinderen, onderwijsvormen.
  • 6.Gezondheidszorg; In dit onderdeel komen onder meer aan bod: verplichte ziektekostenverzekering, consultatiebureau, huisarts en gespecialiseerde artsen.
  • 7.Werk en inkomen;In dit onderdeel komen onder meer aan bod: wie werken er in Nederland, in welke sectoren is er werk, wanneer en waar moet je werk zoeken, regels sollicitatiegesprek in Nederland.
Examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid omvat het reageren op opgaven en het beantwoorden van vragen waarmee wordt gemeten in hoeverre u in normaal tempo gesproken Nederlands kunt verstaan en daar op een verstaanbare wijze en in een normaal conversatietempo op kunt reageren. Dit examenonderdeel bevat in totaal 50 items.
Het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid bestaat uit 5 delen:

  • 1. Nazeggen; U hoort losse zinnen, gesproken in een normaal spreektempo. U moet de zinnen nazeggen. De zinnen variëren tussen de 3 en 15 woorden. De zinnen worden aangeboden in een volgorde van oplopende moeilijkheidsgraad. Dit deel bevat 12 zinnen.
  • 2. Korte vragen; U hoort korte vragen, gesproken in een normaal spreektempo, en u beantwoordt de vragen met een enkel woord of een kort zinnetje. Dit deel bevat 14 korte vragen.
  • 3.Zinsrepetitie; Dit onderdeel van het examen is gelijk aan het eerste deel: er worden 12 nieuwe zinnen aangeboden die herhaald moeten worden.
  • 4.Tegenstellingen; U hoort een woord en reageert door een woord met een tegenovergestelde betekenis te noemen. Dit deel bevat 10 tegenstellingen.
  • 5.Verhalen navertellen; U hoort twee korte verhaaltjes, die in normaal spreektempo worden verteld. U moet zoveel mogelijk vertellen. De verhaaltjes bevatten tussen de 2 en de 6 zinnen, en tussen de 30 en de 90 woorden.

Voor het laatste gedeelte krijgt u geen punten voor uw antwoorden. De opgaven worden beoordeeld door menselijke beoordelaars en gebruikt voor onderzoek naar de kwaliteit van de toets. Dit deel bevat 2 teksten.

Sinds 1 april 2011 moet u het examenonderdeel leesvaardigheid afleggen. Hierbij meer informatie over dit nieuwe onderdeel. U hoeft niet te schrijven op dit examen

Examenonderdeel leesvaardigheid Met dit examenonderdeel wordt gemeten in hoeverre u het Latijnse schrift beheerst en of u geschreven Nederlands kan lezen en begrijpen. Het examenonderdeel leesvaardigheid bevat in totaal 55 onderdelen. Het examenonderdeel leesvaardigheid bestaat uit 5 delen:

  • 1. Woordrijen oplezen; U ziet in het toetsboekje vier rijen woorden, u wordt gevraagd deze hardop te lezen. De rijen bestaan uit acht woorden en worden aangeboden in een volgorde van oplopende moeilijkheidsgraad. Elke volgende rij is moeilijker dan de vorige.
  • 2. Zinnen oplezen; U ziet in het tekstboekje acht zinnen, u wordt gevraagd deze acht zinnen hardop te lezen. De zinnen variëren in lengte tussen de 6 en 11 woorden.
  • 3. Teksten oplezen; U ziet in het tekstboekje drie korte teksten, u wordt gevraagd deze teksten hardop te lezen. De zinnen variëren in lengte tussen de 40 en 50 woorden.
  • 4. Zinnen oplezen en aanvullen; U ziet in het tekstboekje 28 onvolledige items met elke drie mogelijkheden voor aanvulling. U wordt gevraagd de zinnen hardop te lezen en uit de drie gegeven alternatieven het juiste woord te kiezen om de zin af te maken. Een item kan bestaan uit één of twee zinnen en bevat tussen de 7 en 23 woorden (inclusief de drie antwoordmogelijkheden)
  • 5.Vragen bij de teksten beantwoorden; U ziet in het tekstboekje drie korte teksten met vier korte vragen per tekst, u moet de tekst en de vragen stil lezen. De teksten in lengte tussen de 52 en 84 woorden. U mag aantekeningen maken. Vervolgens hoort u de vragen en u reageert met een enkel woord of een kort zinnetje
aanmelden cursus
Toetsscore volgens rapportageschaal TGN CEF-niveau
80 C2
68-79 C1
57-67 B2
47-56 B1
37-46 A2
26-36 A1
C2

Brengt betekenisnuances nauwkeurig en op natuurlijke wijze over.

Kan spontaan en met een natuurlijke vloeiendheid ook langere interventies verrichten. Vertoont daarbij een consistente grammaticale en fonologische beheersing van gevarieerd en complex taalgebruik met inbegrip van een juist gebruik van verbindingswoorden en voegwoorden. Kan moedertaalsprekers moeiteloos verstaan.

C1

Drukt zich vloeiend en spontaan uit in duidelijke, goedgestructureerde spraak.

Kan zich spontaan en vloeiend uitdrukken, bijna moeiteloos in een gelijkmatig lopend taalgebruik. Heeft een duidelijke en natuurlijke uitspraak. Kan intonatie variëren en gebruikt klemtoon om delen te benadrukken. Maakt zelden fouten. Vertoont beheersing van verbindingswoorden en voegwoorden. Verstaat praktisch iedere moedertaalspreker, maar moet wellicht soms om bevestiging vragen.

B2

Brengt informatie en standpunten helder en zonder merkbare moeite over.

Kan eenheden taal met een redelijk evenwichtig tempo produceren met weinig merkbare pauzes. Heldere uitspraak en intonatie. Fouten leiden niet tot misverstanden. Helder samenhangend betoog, echter soms enigszins “springerig”. Kan in detail standaard moedertaalsprekers ook in een lawaaierige omgeving verstaan.

B1

Communiceert begrijpelijk de belangrijkste punten m.b.t. vertrouwde zaken.

Kan op begrijpelijke wijze doorspreken, hoewel evident pauzerend voor het plannen en herstellen van grammaticale elementen Uitspraak is begrijpelijk hoewel bij tijden gekleurd door een buitenlands accent en ook uitspraakfouten optreden. Redelijk correct gebruik van een algemeen repertoire in voorspelbare situaties. Kan eenvoudige losse elementen verbinden tot een samenhangend geheel. Kan duidelijk sprekende moedertaalsprekers volgen, maar moet soms om herhaling vragen.

A2

Communiceert basisinformatie over werk, achtergrond, familie, vrije tijd, etc. Kan zichzelf in korte zinnen verstaanbaar maken, hoewel pauzes, valse starts, en herformuleringen aanwezig zijn Uitspraak is over het algemeen helder genoeg om te worden verstaan ondanks een duidelijk buitenlands accent. Gebruikt een beperkt aantal eenvoudige structuren correct, maar maakt systematisch elementaire fouten. Kan woordgroepen verbinden met eenvoudige voegwoordeen zoals “en”, “maar”, en “omdat”. Kan zich tot hem/haar richtende, duidelijk sprekende moedertaalsprekers verstaan, wanneer zonodig om herhaling gevraagd kan worden.

A1

Doet eenvoudige uitspraken over persoonlijke gegevens en bekende onderwerpen.

Kan omgaan met zeer korte, geïsoleerde, voornamelijk standaard uitingen. Veel pauzes om te zoeken naar uitdrukkingen en om minder bekende woorden uit te spreken. Spreekt met sterk buitenlands accent. Begrijpt de strekking van direct tot hem/haar gerichte en duidelijk gesproken vragen.

© Richard van der Kieft 2008 // Privacy Policy // Terms and Conditions