Het niveau van de Toets Gesproken Nederlands (TGN) van het basisexamen inburgering in het buitenland is omhoog gegaan. Het niveau is per 1 april 2011 omhoog gegaan van A1 min naar A1. Per 1 april is ook de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen (GBL) aan dit examen toegevoegd.
De toets Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) blijft ongewijzigd. U hoeft niet te schrijven op dit examen.
Op het inburgeringsexamen Buitenland wordt onderzocht:
Als u in aanmerking wilt komen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) dan moet u een voldoende halen voor alle drie de onderdelen.

Examenonderdeel Kennis van de Nederlandse samenleving (KNS). Dit examenonderdeel bevat 30 vragen. Voor het examen is rekening gehouden met een minimale mondelinge beheersing van het Nederlands. Het examenonderdeel bevat 30 vragen uit een totale verzameling van 100 vragen over de Nederlandse samenleving.
U krijgt op het examen één of meerdere vragen gesteld over zeven onderwerpen:
Voor het laatste gedeelte krijgt u geen punten voor uw antwoorden. De opgaven worden beoordeeld door menselijke beoordelaars en gebruikt voor onderzoek naar de kwaliteit van de toets. Dit deel bevat 2 teksten.
Sinds 1 april 2011 moet u het examenonderdeel leesvaardigheid afleggen. Hierbij meer informatie over dit nieuwe onderdeel. U hoeft niet te schrijven op dit examen Examenonderdeel leesvaardigheid Met dit examenonderdeel wordt gemeten in hoeverre u het Latijnse schrift beheerst en of u geschreven Nederlands kan lezen en begrijpen. Het examenonderdeel leesvaardigheid bevat in totaal 55 onderdelen. Het examenonderdeel leesvaardigheid bestaat uit 5 delen:
| Toetsscore volgens rapportageschaal TGN | CEF-niveau |
| 80 | C2 |
| 68-79 | C1 |
| 57-67 | B2 |
| 47-56 | B1 |
| 37-46 | A2 |
| 26-36 | A1 |
Brengt betekenisnuances nauwkeurig en op natuurlijke wijze over.
Kan spontaan en met een natuurlijke vloeiendheid ook langere interventies verrichten. Vertoont daarbij een consistente grammaticale en fonologische beheersing van gevarieerd en complex taalgebruik met inbegrip van een juist gebruik van verbindingswoorden en voegwoorden. Kan moedertaalsprekers moeiteloos verstaan.
Drukt zich vloeiend en spontaan uit in duidelijke, goedgestructureerde spraak.
Kan zich spontaan en vloeiend uitdrukken, bijna moeiteloos in een gelijkmatig lopend taalgebruik. Heeft een duidelijke en natuurlijke uitspraak. Kan intonatie variëren en gebruikt klemtoon om delen te benadrukken. Maakt zelden fouten. Vertoont beheersing van verbindingswoorden en voegwoorden. Verstaat praktisch iedere moedertaalspreker, maar moet wellicht soms om bevestiging vragen.
Brengt informatie en standpunten helder en zonder merkbare moeite over.
Kan eenheden taal met een redelijk evenwichtig tempo produceren met weinig merkbare pauzes. Heldere uitspraak en intonatie. Fouten leiden niet tot misverstanden. Helder samenhangend betoog, echter soms enigszins “springerig”. Kan in detail standaard moedertaalsprekers ook in een lawaaierige omgeving verstaan.
Communiceert begrijpelijk de belangrijkste punten m.b.t. vertrouwde zaken.
Kan op begrijpelijke wijze doorspreken, hoewel evident pauzerend voor het plannen en herstellen van grammaticale elementen Uitspraak is begrijpelijk hoewel bij tijden gekleurd door een buitenlands accent en ook uitspraakfouten optreden. Redelijk correct gebruik van een algemeen repertoire in voorspelbare situaties. Kan eenvoudige losse elementen verbinden tot een samenhangend geheel. Kan duidelijk sprekende moedertaalsprekers volgen, maar moet soms om herhaling vragen.
Communiceert basisinformatie over werk, achtergrond, familie, vrije tijd, etc. Kan zichzelf in korte zinnen verstaanbaar maken, hoewel pauzes, valse starts, en herformuleringen aanwezig zijn Uitspraak is over het algemeen helder genoeg om te worden verstaan ondanks een duidelijk buitenlands accent. Gebruikt een beperkt aantal eenvoudige structuren correct, maar maakt systematisch elementaire fouten. Kan woordgroepen verbinden met eenvoudige voegwoordeen zoals “en”, “maar”, en “omdat”. Kan zich tot hem/haar richtende, duidelijk sprekende moedertaalsprekers verstaan, wanneer zonodig om herhaling gevraagd kan worden.
Doet eenvoudige uitspraken over persoonlijke gegevens en bekende onderwerpen.
Kan omgaan met zeer korte, geïsoleerde, voornamelijk standaard uitingen. Veel pauzes om te zoeken naar uitdrukkingen en om minder bekende woorden uit te spreken. Spreekt met sterk buitenlands accent. Begrijpt de strekking van direct tot hem/haar gerichte en duidelijk gesproken vragen.